De Europese Unie presenteert zich graag als een gemeenschap van waarden, gebouwd op democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. Die zelfverzekerde houding begint echter steeds minder overtuigend te klinken. Wie de recente ontwikkelingen binnen de lidstaten beziet, kan moeilijk ontkennen dat de rechtsstaat in Europa onder druk staat en niet alleen aan de randen van de Europese Unie. Uit het in maart 2026 verschenen rapport van mensenrechtenorganisatie ‘Civil Liberties Union for Europe’ uit Berlijn blijkt dat sprake is van een zorgelijke situatie. In meerdere lidstaten is niet slechts sprake van incidenten of bestuurlijke tekortkomingen, maar van structurele achteruitgang. In sommige landen wordt de rechtsstaat zelfs doelbewust uitgehold. Regeringen die de rechterlijke macht naar hun hand zetten, kritische media marginaliseren en maatschappelijke organisaties beperken: het zijn geen uitzonderingen meer.
Het onderscheid dat in het rapport wordt gemaakt tussen ‘slopers’, ‘afglijders’ en ‘stagneerders’ is veelzeggend. Het confronteert ons met een realiteit waarin democratische erosie verschillende snelheden kent. In landen als Hongarije en Bulgarije is de afbraak openlijk en systematisch. Elders, zoals in Duitsland, Frankrijk of België, gaat het subtieler: strengere protestwetten, druk op journalistiek en een verhard politiek klimaat. Minder zichtbaar, maar niet minder zorgwekkend. Misschien nog het meest confronterend is de categorie waarin landen als Nederland worden geplaatst: die van stagnatie. Het idee dat de Nederlandse rechtsstaat onaantastbaar is, blijkt een hardnekkige illusie. Problemen rond toegang tot het recht, bestuurlijke transparantie en het functioneren van de overheid laten zien dat ook gevestigde democratieën kwetsbaar zijn. Stilstand is in dit geval geen neutraliteit, maar een gemiste kans op versterking.
Juist daarom is het van belang te onderstrepen dat de rechtsstaat niet slechts een politiek ideaal is, maar juridisch verankerd in de Europese verdragen. In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de kernwaarden van de Unie vastgelegd: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat. Deze bepaling vormt het constitutionele fundament van de Europese samenwerking en bindt alle lidstaten. Het is geen vrijblijvende norm, maar een harde juridische verplichting die loyaliteit en wederzijds vertrouwen veronderstelt. Ook kan worden gewezen op artikel 19 VEU en artikel 47 EU-Handvest van de grondrecten. Wanneer lidstaten deze waarden en normen schenden, biedt artikel 7 VEU een politiek sanctiemechanisme. In theorie kan dit leiden tot zware maatregelen, zoals het schorsen van stemrechten in de Raad. In de praktijk blijkt dit instrument echter tandeloos. De vereiste unanimiteit, met uitzondering van de betrokken lidstaat, maakt effectieve toepassing vrijwel onmogelijk. Lidstaten beschermen elkaar, politieke allianties blokkeren ingrijpen, en zo verliest het zwaarste wapen van de Unie zijn afschrikkende werking.
Daarom heeft de Europese Unie de afgelopen jaren meer nadruk gelegd op juridische en financiële instrumenten. Via artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kan de Europese Commissie lidstaten voor het Hof van Justitie van de Europese Unie dagen wegens schending van Unierecht. Dit heeft geleid tot concrete uitspraken en forse sancties, waaronder hoge boetes en dwangsommen. Anders dan artikel 7 VEU werkt dit mechanisme niet via politieke consensus, maar via juridische afdwingbaarheiden en juist daarin schuilt de betekenis. Daarnaast is sinds 2021 de zogenoemde conditionaliteitsverordening van kracht. Deze regeling maakt het mogelijk om Europese subsidies op te schorten wanneer schendingen van de rechtsstaat het beheer van EU-middelen in gevaar brengen, bijvoorbeeld door corruptie of gebrekkige controlemechanismen. Dit instrument raakt lidstaten direct in hun financiële belangen en heeft daardoor een aanzienlijk grotere prikkelwerking dan symbolische politieke sancties. Met name in het geval van Hongarije is gebleken dat financiële druk effectiever kan zijn dan langdurige politieke procedures.
Toch blijft de vraag of deze instrumenten voldoende zijn. De Unie beschikt over juridische middelen, maar mist vaak de politieke eensgezindheid om ze consequent en tijdig in te zetten. Ondertussen gaat de erosie door. Daar komt een geopolitieke dimensie bij. Sommige regeringen zoeken nadrukkelijk aansluiting bij autoritaire grootmachten of spiegelen zich aan illiberale bestuursmodellen. Dit ondermijnt niet alleen de interne samenhang van de Europese Unie, maar ook haar geloofwaardigheid als mondiale pleitbezorger van democratische waarden.
Wat betekent dit alles? In de eerste plaats dat de rechtsstaat geen statisch gegeven is, maar voortdurend onderhoud vergt. In de tweede plaats dat Europese samenwerking meer moet zijn dan economische integratie; het moet ook gaan om het actief beschermen van fundamentele waarden. En ten slotte dat maatschappelijke organisaties, journalisten en burgers zelf een cruciale rol spelen. Zonder tegenmacht verschraalt elke democratie. De Europese Unie staat voor een ongemakkelijke keuze: vasthouden aan het ideaal van een waardengemeenschap en dat daadwerkelijk afdwingen, of accepteren dat die waarden in de praktijk steeds verder uithollen. Halfslachtigheid is geen optie meer. Wie de rechtsstaat serieus neemt, moet bereid zijn om er politieke en financiële consequenties aan te verbinden. De vraag is niet langer óf de rechtsstaat in Europa onder druk staat. De vraag is hoeveel ondermijning we bereid zijn te accepteren voordat we ingrijpen.
Amsterdam, 28 april 2026
Jan Willem Sap
Voorzitter VDE