Politiek is downstream van cultuur, cultuur is downstream van geloof. Het klinkt als een slogan, maar het is in de kern een diagnose. Wie de huidige onrust in Europa over polarisatie, wantrouwen jegens instituties en electorale wisselvalligheid wil begrijpen, moet dieper graven dan partijprogramma’s, verkiezingen of economische graadmeters. De crisis is niet in de eerste plaats politiek, zij is cultureel en daaronder spiritueel.
Europa is niet louter een geografische entiteit, maar een beschavingsproject. Dat project is eeuwenlang gevormd door het christendom. Niet alleen in kerken, maar in recht, onderwijs, kunst, moraal en politieke ordening is de morele infrastructuur van Europa zichtbaar. Ideeën als menselijke waardigheid als afgeleid van Imago Dei, vergeving, universele gelijkheid en gewetensvrijheid zijn geen toevallige producten van de Verlichting; zij groeiden uit een christelijke bodem. Ook de moderne seculiere staat draagt nog steeds christelijke architectuur in zich: de scheiding van machten, het onderscheid tussen kerk en staat, de begrenzing van politieke macht. Deze instituties veronderstellen dat er grenzen zijn aan wat de staat mag, dat sprake is van beperkt bestuur, een idee dat historisch verankerd was in een hogere norm dan de staat zelf. Geef de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is, bekende woorden uitgesproken door Jezus (Mattheus 22:21). Wanneer de transcendente referentie verdwijnt, blijft de institutionele façade bestaan, maar wordt het fundament kwetsbaar vol met luchtbellen.
Na de oorlogen in de twintigste eeuw en vooral na 9/11 klonk de roep om religie definitief achter ons te laten luider dan ooit. Religie zou volgens Richard Dawkins en Christopher Hitchens de bron zijn van irrationaliteit, geweld en dogmatisme. Atheïsme en secularisme beloofden een nuchtere en meer rationele publieke sfeer. Maar wat is er gebeurd? In plaats van een triomf van koele redelijkheid zien we een explosie van nieuwe vormen van irrationaliteit: complottheorieën, apocalyptisch politiek denken, morele hysterie op sociale media, quasireligieuze verering van ideologische projecten. Het religieuze verdween niet, het veranderde slechts van object. De mens is geen puur rationeel wezen. Hij verlangt betekenis, richting, verlossing en gemeenschap. Wanneer traditionele religie verdwijnt, verdwijnt dat verlangen niet. Dan gaat de mens op zoek naar een nieuw altaar, dat kan ook een sportclub zijn, en dat is niet altijd een verbetering in vergelijking met het christelijk geloof.
Het verlaten van een gedeelde transcendente horizon heeft een vacuüm gecreëerd in het publieke domein. Niet omdat iedereen ongelovig werd, maar omdat het publieke domein te weinig een gemeenschappelijk referentiepunt erkent dat boven de politieke strijd uitstijgt. Als er geen hogere norm meer is wordt moraal onderhandelbaar, wordt de waarheid een perspectief en wordt autoriteit een kwestie van volume. In zo’n klimaat wint niet noodzakelijk het beste argument, maar de krachtigste mobilisatie. Politiek wordt emotie. Debat wordt strijd. Wie het hardst schreeuwt of de grootste morele verontwaardiging mobiliseert, domineert het discours. Het verhaal over de rattenvanger van Hamelen spreekt boekdelen. Zonder gedeelde metafysische ankerpunten wordt pluralisme fragiel. Verschil is dan geen variatie binnen een gemeenschappelijk kader, maar botsing tussen concurrerende absolutismen.
De huidige Europese crisis rond migratieconflicten, identiteitsdebatten en vertrouwensverlies in elites is geen louter bestuurlijk falen. Zij is het symptoom van het diepere probleem van normatieve fragmentatie. Zolang Europa wist wie het was, kon het spanningen absorberen. Nu is de vraag naar identiteit zelf onderwerp van strijd. Wat betekent vrijheid? Wat betekent gelijkheid? Wat betekent mens-zijn? Zonder gedeelde transcendente horizon worden deze begrippen ideologisch inzetbaar in plaats van cultureel gedragen. Dat maakt de democratie instabiel. Democratie veronderstelt immers meer dan procedures; zij vereist gedeelde morele vooronderstellingen. De Franse denker Alexis de Tocqueville (1805-1859) benadrukte dat een stabiele politieke orde afhankelijk is van gedeelde morele overtuigingen. Politieke structuren functioneren duurzamer wanneer ze resoneren met de culturele onderlaag van een samenleving.
Ironisch genoeg heeft het verlaten van het christendom als bezielend verband niet geleid tot het verdwijnen van dogma’s, maar tot vermenigvuldiging en verwarring. Relatief veel jonge mensen plegen zelfmoord. Politieke bewegingen nemen religieuze trekken aan. Wanneer God uit het centrum verdwijnt, wordt de politiek totaler. Zij moet dan betekenis leveren, verlossing bieden en identiteit verschaffen, taken waarvoor zij nooit bedoeld was. Dat is de paradox van de seculiere moderniteit: zij bevrijdt zich van theologie, maar kan niet zonder theologische structuren. Dit is geen pleidooi voor nostalgie naar een geïdealiseerd verleden. Het is een vraag naar fundament. Kan een beschaving duurzaam voortbestaan zonder gedeelde transcendente horizon? Of zal zij steeds nieuwe, vaak meer radicale substituten scheppen? De werkelijke crisis van Europa is een crisis van betekenis, die zich niet makkelijk laat herstellen. Zonder hemel is er geen horizon, zonder horizon ontstaat normatieve fragmentatie en verliest zelfs de meest geavanceerde beschaving haar richting.
Amsterdam, 28 februari 2026
Jan Willem Sap
Voorzitter VDE